in

Dood in het verpleeghuis (4): Daar gaat mijn moeder, in een bodybag

In een verpleeghuis gaat de moeder van Rijnmond-journalist Ingrid Smits ten onder aan corona. Wegens besmettingsgevaar moet het stoffelijk overschot dezelfde avond nog het huis uit. Een rouwwagen haalt haar op. Ingrid siddert als ze haar moeder als een gesneuvelde soldaat afgevoerd ziet worden, maar concludeert ook: “Het is symbolisch; de verpleeghuizen zijn een slagveld.”

Mijn moeder worstelt. Boven komen zal ze niet meer, maar vooralsnog gaat ze ook niet ten onder. Haar hart is sterk en weet van geen opgeven. Het tikt bijna twee keer zo hard als normaal.

Golden girls
Het is 18 april en vanaf 01:00 uur zit ik als een nachtwacht aan haar bed. Ik heb mazzel. Er zijn twee golden girls aan het werk, die topscores halen op de schaal van empathie.

“Hoe gaat het met je?”
“Het is heftig, hè?”
“Ben je nog oké, daar in je stoel?”
“Wil je een dekentje?”
“We hebben ook een klapbed, hoor.”

Het is 03:32 uur als ze nog een keer de kamer binnen komen. ”We gaan koffiedrinken. Durf je met ons mee?” De toestand van mijn moeder is kritiek, maar stabiel. Dus ja, ik heb het lef om de plek des onheils even te verlaten.

We pellen gedrieën ons corona-uniform af en gaan naar de grote, gemeenschappelijke ruimte waar normaal altijd door de bewoners van de aanleunwoningen gegeten wordt, waar de bingoballetjes rollen en het bewonerskoor liedjes als ‘De Klok van Arnemuiden’ zingt. Maar nu al weken niet.

De zaal, die vooral garant stond voor plezier en gezelligheid, is in gebruik genomen als crisiscentrum. Ik zie grote sheets, waarop is geschreven welke bewoners in isolatie zitten. En welke kamers leeg zijn. Lees: bewoners gestorven.

Tekst gaat door onder de foto

Spookhuis
Vanwege het virus neemt het verpleeghuis niemand meer op. De kamers van overledenen blijven onbezet. Het sympathieke zorgcentrum verandert in hoog tempo in een soort spookhuis.

Een vriend van mijn ouders woont er in een aanleunappartement. De ziekte MS houdt hem aan een rolstoel gekluisterd. Net als duizenden anderen krijgt hij al wekenlang geen bezoek. Hij is somber en laat via Skype voortdurend aan zijn vrouw weten dat het voor hem ‘zo niet meer hoeft’.

De kwetsbaren kwijnen weg. Zo is het hier. Zo is het overal in het land.

Lood in de schoenen
“Wat voor koffie wil je?”
“Doe maar een cappuccino.”
“Een grote?”
“Graag.”

De golden girls zijn vaste krachten, die de koffiemachine feilloos weten te vinden. Ze zijn vertrouwd met de dood, vertellen ze tijdens hun pauze.Want verpleeghuizen zijn ontegenzeggelijk eindstations. Maar wat er nu gebeurt, noemen ze ongekend.

Het tempo waarin de bewoners sterven, is emotioneel niet bij te benen. “Ik doe dit werk enorm graag”, zegt een van de dames. “Maar nu ga ik met lood in mijn schoenen van huis. Het is elke dienst weer afwachten wie er niet meer is.”

“Wij verzorgen de oudjes vaak jarenlang”, vervolgt ze. “Dat is anders dan in een ziekenhuis. Op de ic’s komen onbekende personen binnen. Voor de artsen en verpleegkundigen is het zwaar als patiënten overlijden, natuurlijk. Maar wij hebben hier allemaal een heel innige band met de bewoners.”
Zwijgend staart ze naar haar koffie. Als ze weer opkijkt, zijn haar ogen vochtig. “We houden van ze, weet je…”
Ik zeg dat ik het schandalig vind dat verpleeghuismedewerkers zo lang zijn weggezet als tweederangs zorgpersoneel.
“Als deze crisis voorbij is”, voorspelt ze, “dan is de rek uit ons elastiek en storten we allemaal in.”

We hijsen ons, na de koffie, met z’n drieën weer in het uniform. Het is even na vieren. Mijn moeder is er tijdens de koffiepauze gelukkig niet stilletjes tussenuit gepiept. Ik hoor het direct als ik de kamer binnenkom. De zware ademhaling vanuit het bed is vertrouwd geworden.

“Moesje, ik ben er weer”, zeg ik. Geen reactie. Toch is het onbeschrijflijk fijn om bij haar te mogen zijn. Ik leg haar hand weer op mijn latex handschoen. “Als je denkt dat het tijd is, dan mag je gaan, hoor.”

Ik weet dat me nog zware dagen te wachten staan. Een uitvaart regelen is, zeker na de stressvolle weken die ik al achter de rug heb, geen klein bier.

Opklapbedje
Misschien is het goed als ik toch even probeer te slapen. Al is het maar een uurtje. De zogeheten powernap. Maar dat gaat niet lukken in de stoel waarin ik nu zit, met een dekentje over de benen. Ik voel me stijf en stram worden in deze houding en vraag de golden girls om het opklapbedje, dat ergens moet staan. In een mum van tijd schuiven ze het naar binnen. “Pak je rust, lieverd, je hebt het nodig.”

Lees ook  Conducteur in Noord-Holland geslagen nadat hij slapende reiziger wekte

Het bedje is fijn, maar hoe ga je daar in hemelsnaam op liggen? In compleet corona-uniform? “Ja, dat moet”, zeggen de verzorgsters. Het wordt dus slapen met een mondkapje, een skibril, zweterige handschoenen en een protectieschort. “Moeten mijn schoenen ook aan blijven?”, vraag ik. Het antwoord is: ja.

Na weken van corona-discipline besluit ik nu even burgerlijk ongehoorzaam te zijn. Het lijkt me stug dat het klotevirus me via mijn broekspijpen zal besluipen. De Adidas-gympen gaan uit. Ik schuif ze demonstratief onder het klapbed en probeer de slaap te vatten.

In het besef dat deze nacht historisch is, in elk geval voor mijzelf, maak ik nog een foto. Om 10:13 uur app ik de volgende ochtend naar een vriendin: “Wel eens met mondkap en bril op geslapen? Ikke nu wel.”

Tekst gaat door onder de foto

“Slapen met mondkap, hoe werkt dat?”, appt ze terug. “Science fiction, lijkt het wel.”

“Gewoon ogen dicht en knorren”, antwoord ik.
Het is een simplificatie van wat eigenlijk geen makkie was. Het recept voor succes bleek uiteindelijk: denk niet na over de bloedhitte van het mondkapje en de zweterige handschoen en adem zoveel mogelijk mee op het ritme van je moeder. Zo heb ik toch een paar uurtjes gedommeld.

“Durf je een foto van nu te sturen?”, appt de vriendin. “Hoef je dit allemaal niet alleen door te maken, mop.”

Ze wil een beeld van hoe mijn moeder er nu bij ligt. “Ik weet niet of je dat wilt. Het is heel heavy”, stuur ik terug.

“Doe maar. I am prepared.”

Foto
Ik scroll door het beeldarchief van de afgelopen dagen. Soms heb ik iets over mijn moeders situatie op Facebook gezet, inclusief foto. Uit respect was haar gezicht nooit te zien, hooguit een vermagerde hand.

Een collega appte niettemin: je hebt de actualiteit een gezicht gegeven. Dat was ook mijn bedoeling: het vertellen van het verhaal achter de kille statistieken.

Ik heb veel portretfoto’s’ van mijn moedertje gemaakt, met het idee dat die te gruwelijk waren om ooit aan iemand te tonen. Nu vraagt de vriendin er zelf om.

Hoe lief. Door zoveel vriendschap gedragen, heb je geen broer of zus nodig, bedenk ik. Maar jemig, welke foto nu te kiezen? Ik wil haar toch een beetje sparen.

“Ach gossie”, reageert ze als ik een stervensportret op de app heb gezet. “Krijg er de rillingen van. En een klein traantje. Apart dat ze haar ogen half open heeft. Hoe kan dat?”

“Dat verschilt per persoon, zeggen ze”, schrijf ik terug. “Heb niet het idee dat de ogen nog iets registreren. Toch fijn om de foto met iemand te kunnen delen.”

“Welcome, lieverd. Anders zo alenig.”

Vruchtenhagel
Een andere vriendin wil weten of er in het verpleeghuis wel goed voor me wordt gezorgd. “Ik ga nu ontbijten”, laat ik om 10:34 uur weten. Op mijn bord ligt tarwebrood met vruchtenhagel. Ik snak naar zoet in deze zure tijden.

Het zal dan nog bijna acht uur duren voordat Magere Hein komt opdagen. Op Facebook schreef ik eerder: “Enerzijds vind ik hem een klootzak, anderzijds hoop ik dat hij snel komt.”

Om 18:25 uur blaast mijn lieve moedertje haar laatste adem uit. Het gaat rustig. Zonder spektakel. En ik ben er godzijdank bij. Net als een verzorgende die precies op het moment suprême poolshoogte komt nemen.

Het is volbracht
Tranen? Die vloeien nog niet. Ik sta eerder verdoofd aan de grond genageld. Er schiet me een zinnetje te binnen, dat ik heb overgehouden aan mijn jaren op de christelijke basisschool: het is volbracht. Met mijn blauwe handschoen aai ik zachtjes over mijn moeders ingevallen wang.

Ik heb zo lang binnen gezeten, dat ik hunker naar frisse lucht. Vanaf een terras voor het verpleeghuis bel ik mijn dochter. “Oma is er niet meer.” Toevallig stapt in Rotterdam net haar vriend binnen. Ze is deze avond gelukkig niet alleen.

Ik bel met close vrienden en vriendinnen, en laat ook via social media weten dat mijn moeder gestorven is. Bij het bericht op Facebook zet ik een foto van weleer, waarop ze stralend in de lens kijkt. “Deze strijd kon je niet winnen”, schrijf ik erbij. “Al heb je met je grote warme hart nog lang geknokt.”

Direct stromen via de app de condoleances binnen. Een overweldigende hoeveelheid. Ook een van mijn nichten reageert. Ze is iets jonger dan ik en vecht tegen kanker. “Ahhh lieverd gecondoleerd. Wat een toestand”, appt ze. “Ik zou graag naar je toe willen komen om je een hele dikke knuffel te geven, maar dat mag nu helaas niet. Heel veel sterkte.”

Lees ook  Project 'Poezenmaatjes': katten helpen eenzaamheid onder ouderen te verminderen

Vanwege haar eigen gezondheidstoestand zal ze een week later niet op de begrafenis kunnen zijn. Dat geldt voor meer mensen uit de inner circle. Gelukkig wordt de dienst via internet gestreamd. Er loggen ruim vierhonderd mensen in.

Tekst gaat door onder de foto

Roes
De avond waarop mijn moeder is ‘overgestoken’ voltrekt zich goeddeels in een roes. In het huis loop ik tot mijn stomme verbazing mijn vaste contactpersoon tegen het lijf. Ze zou vrij zijn, had ze me verteld. “Ik val in”, zegt ze nu. “Want er is nijpend personeelstekort.”

Zij heeft wat aandacht voor me, in tegenstelling tot het andere personeel dat de handen vol heeft aan de verzorging van de bewoners die nog in leven zijn. Mijn moeder is de derde op een afdeling van zes, die aan het virus ten onder is gegaan. En ze is niet de laatste.

“Je moeder was ons zonnetje in huis”, zegt de verzorgende. “En we zullen haar lach en haar vrolijkheid ontzettend missen. Echt hoor, ze had de gave om zelfs de grootste chagrijn onder de bewoners aan het lachen te krijgen.”

Als een spons zuig ik de woorden op. Het is een troost. En bepaald geen schrale.
“Hoe gaat het met jou?”, wil ik van de verzorgende weten.
“Het is zwaar”, antwoordt ze. “We doen ons best. Maar we moeten constant improviseren. Een crisis als deze staat in geen enkel opleidingsboek.”

Terwijl ik in de huiskamer aan tafel zit, is een schouwarts bij mijn moeder geweest. Ze blijkt nog in het pand en ik geef aan dat ik haar wil spreken. “Gecondoleerd”, zegt ze, op anderhalve meter afstand. “Je weet dat je moeder gisteren getest is?” Ik knik.

“Ze had inderdaad corona.”

De uitslag is – voor een kersverse wees als ik – niet meer dan mosterd na de maaltijd. Ik weet niet hoeveel leed dit verpleeghuis bespaard had kunnen blijven als het personeel en de bewoners tijdig waren getest. Maar heb daar wel ideeën over.

Donkerblauwe zak
Het is zaterdagavond en het loopt al tegen middernacht als buiten mijn zicht een rouwauto voor het huis parkeert. Ik tref de mannen, die mijn moeder komen ophalen, pas in de gang.

De vrouw, die ik zo intens liefheb, wordt als een gesneuvelde soldaat in een bodybag gehesen. Het beeld van de donkerblauwe zak zal mijn geheugen nog lang geselen. Maar ergens, zo bedenk ik, staat de bodybag ook gruwelijk symbool. Verpleeghuizen zijn een slagveld, waarop het voor sluipschutter Corona deze dagen prijsschieten is.

De mannen maken tempo en nemen met hun brancard de hele lift in beslag. Ik heb voor het trappenhuis een speciale sleutel nodig en die heb ik niet in bezit. Naar beneden lopen kan dus niet. Zodra de lift weer vrij is, druk ik op de knop voor de begane grond.

Maar ik blijk – zul je net zien – eerst omhoog te moeten, naar de tweede verdieping. Daar stappen mensen met mondkapjes in, die mogelijk ook aan een sterfbed hebben gezeten. Het ontbreekt me aan de moed om het hen te vragen.

Als ik eindelijk op de begane grond ben, ligt mijn moeder al in de rouwwagen. Ik zie dat de zes verzorgenden die aan het werk zijn een erehaag voor haar hebben gevormd. Hun laatste groet aan Nelly Smits.

Fuck corona
Ze huilen. Allemaal. Een van hen, een golden girl van de afgelopen nacht, vliegt me later om de hals. “Fuck corona”, zegt ze. “Ik moet je even vasthouden.”

In de auto draait een sleutel in het contactslot. De wagen komt in beweging.
Het is zondag 19 april geworden en er is niemand meer op straat. Toch loopt een van de mannen respectvol voor de rouwwagen, zoals je dat ook bij begrafenissen ziet. Een mooi gebaar.

Langzaam draait de auto met het ‘zonnetje’ de hoek om en verdwijnt – “dag mam” – in de donkere nacht.

De klok in mijn auto geeft 01:37 aan als ik ‘m voor mijn huis in Rotterdam parkeer. Mijn dochter heeft op me gewacht. Slechts een paar meter scheiden ons als binnenstap. Ze staat verdrietig achter in de gang en we hunkeren naar een hug. Maar ik ben me bewust van de besmette brandhaard, waaruit ik kom.

“Ik ga naar boven”, zeg ik. “Gooi al mijn kleren in de wasmand. Daarna ga ik douchen. En als ik helemaal schoon ben, ga ik je vastpakken. Heel lang.”

Nijverdalse stiefdochter (21) als kind jarenlang ernstig mishandeld: “Ik wil niet meer leven”

Sylvana Simons: dit wordt een kantelpunt in racismedebat